Mijn naam is Luca en ik ben verslaafd
Ik ben 29 jaar en woon in Delft, de stad waar ik ook ben opgegroeid als oudste van twee jongens. Als kind zat ik het liefst alleen op mijn kamer, eerst met lego en later achter de computer. Op school haalde ik goede cijfers, maar in de pauzes wist ik nooit goed waar ik moest staan. Ik keek hoe andere jongens met elkaar praatten en probeerde dat na te doen. Na een schooldag was ik vaak zo moe dat ik niemand meer wilde zien. Mijn ouders dachten dat ik gewoon een stille jongen was en eerlijk gezegd dacht ik dat zelf ook.
Op mijn 16e rookte ik voor het eerst een joint, op een feestje waar ik eigenlijk niet wilde zijn. Het lawaai en de drukte in mijn hoofd werden ineens zachter. Ik kon gewoon blijven zitten zonder me onrustig te voelen en voor het eerst voelde ik me niet de vreemde eend in de bijt.
“Wiet voelde als een volumeknop waarmee ik de wereld zachter kon zetten.”
Daarna blowde ik steeds vaker, eerst in het weekend en later ook doordeweeks. Na mijn eindexamen begon ik aan een technische studie in Delft. Colleges in volle zalen, groepsopdrachten en een studentenhuis met zes anderen: het werd me allemaal te veel. Ik blowde 's avonds om tot rust te komen en 's ochtends om de dag aan te kunnen. Omdat ik op kamers woonde, was er ook niemand die daar iets van zei. Na drie jaar stopte ik met mijn studie, zonder het mijn ouders te vertellen.
Daarna had ik verschillende baantjes die ik nooit lang volhield. Ik werkte in een magazijn en later bij een callcenter. Elke keer liep ik vast op de drukte, op collega's of op een rooster dat steeds veranderde. Ik meldde me ziek, bleef thuis en rookte. Op mijn 25e blowde ik van het moment dat ik opstond tot ik ging slapen.
“Ik dacht dat ik lui was en dat iedereen het makkelijker had dan ik.”
De bodem kwam toen ik 27 was. Ik had een laatste waarschuwing gehad van mijn huisbaas, omdat ik flink achterliep met de huur. Ik had geen werk meer en het geld dat ik had, ging op aan mijn wekelijkse bezoekjes aan de coffeeshop. Ondanks dat ik hele dagen verdoofd was, schaamde ik me rot en ging iedereen om me heen uit de weg. Ik voelde me zo ontzettend slecht over mezelf en het voelde eenzaam, ook al had ik zelf gekozen om mezelf op te sluiten.
Op een avond stond mijn broer voor de deur. Hij zei niet veel, ging naast me op de bank zitten en is gebleven. Die avond gaf ik voor het eerst toe dat ik niet meer kon stoppen. Dat voelde als een enorme afgang, maar ik kon gewoon niet meer. Aan de ene kant vond ik mijn situatie vreselijk, maar aan de andere kant wist ik niet hoe ik nog terug kon naar een normaal leven. Daar was elke prikkel me te veel. Samen met mijn broer heb ik de telefoon gepakt en Connection SGGZ gebeld, letterlijk het moeilijkste wat ik ooit in mijn leven heb gedaan.
Bij het intakegesprek vertelde ik over mijn wietgebruik, maar ook over hoe moe ik altijd werd van mensen. Voor het eerst viel toen het woord autisme. Kort daarna begon ik aan mijn klinische opname in Meerlo.
De eerste weken waren zwaar. Ik sliep slecht, was prikkelbaar en de groepssessies vond ik verschrikkelijk. Iedereen praatte door elkaar, mensen lachten om dingen die ik niet begreep en aan het eind van de dag zat mijn hoofd zo vol dat ik niets meer kon zeggen. Mijn behandeling was afgestemd op mijn autisme. Dat ging niet weg, maar ik ontdekte wel hoe mijn hoofd werkt en waarom wiet daar altijd zo goed in leek te passen.
“Ineens viel alles op zijn plek. Mijn brein werkt anders en als ik dat negeer, komen de klachten. Die heb ik jarenlang gedempt met wiet.”
Ik leerde herkennen wanneer ik overprikkeld raakte en wat ik dan kon doen zonder naar een joint te grijpen. Ook zag ik in dat wiet de prikkels alleen naar later verschuift. Als het effect wegebt, komt alles harder terug. Mijn ouders en mijn broer kwamen naar een familiebijeenkomst, waar we voor het eerst konden praten over wat er al die jaren speelde.
“Mijn moeder zei dat ze me eindelijk begreep. Ik begreep mezelf op dat moment ook pas.”
Na de opname ging ik terug naar Delft. De nazorg liep via Connection SGGZ. In het begin had ik regelmatig een gesprek met mijn behandelaar en later werd dat minder. Daarnaast brachten ze me in contact met instanties die me bijvoorbeeld hielpen om een baan te vinden die bij me past.
Inmiddels ben ik 15 maanden clean. Ik werk op kantoor op de planning, een baan met vaste tijden en duidelijke afspraken. Mijn collega's weten dat ik autisme heb. Wordt het me te veel, dan zet ik een koptelefoon op of loop ik even naar buiten. Alcohol drink ik ook niet en feestjes waar ik vroeger alleen naartoe ging om te blowen, sla ik over.
“Ik heb geen volumeknop meer nodig. Ik weet nu zelf wanneer de wereld te hard staat en wat ik dan kan doen.”
Voor de toekomst wil ik een huis met een tuin, misschien ooit samenwonen en vooral dit regelmatige leven volhouden, één dag tegelijk.
Luca heeft zijn verhaal op 1 oktober 2026 met ons gedeeld. Wil je weten wat andere cliënten van hun behandeling vonden? Lees dan ook de andere ervaringsverhalen.